Lange weg voor bobsleeër Dennis Veenker van Damwâld naar Peyong Chang

Damwâld

De Olympische Spelen 2018 in Peyong Chang. Dat is het doel van Dennis Veenker. De 24-jarige bobsleeër uit Damwâld weet dat het nog een lange weg is naar Peyong Chang in Zuid-Korea, maar hij gaat er wel helemaal voor.

Begin deze week heeft Dennis Veenker zijn koffers gepakt. De zoveelste keer al dit winterseizoen. Dinsdag is hij afgereisd naar Zuid-Korea, voor de laatste wereldbekerwedstrijd van dit seizoen. Hij heeft dan de teleurstelling nog niet eens goed kunnen verwerken, dat hij voor dit weekend samen met zijn maat Rudy Mensink (Stiens) door de Nederlandse bobsleebond niet geselecteerd werd voor de wereldkampioenschappen. Dat was natuurlijk flink balen, maar ook tegenslag en teleurstelling hoort bij topsport, weet Veenker inmiddels. Ondanks de frustraties, laadt hij zich aan het eind van deze winter in de nationale equipe nog één keer op voor een internationale krachtmeting op de olympische baan in Zuid-Korea, waar volgend jaar de Olympische Spelen worden gehouden. Voor dit weekeinde had Veenker een dikke vette streep gezet onder de wereldkampioenschappen in het Zuid-Duitse Köningssee. Daar wilde hij zich laten zien, dat moest de bekroning worden van een lang seizoen. Maar omdat Veenker volgens de eisen van de bobsleebond niet snel genoeg was, werd hij net als Rudy Mensink niet geselecteerd voor het WK. De remmer/starter uit Damwâld heeft nu samen met zijn piloot Ivo de Bruin alles gezet op de laatste wereldbekerwedstrijden van dit seizoen. Want, zo weet de Damwâldster, er moet nog heel wat gebeuren om aan de eisen te voldoen voor de Olympische Spelen volgend jaar in Zuid-Korea. Het belangrijkste is dat de Nederlandse bobsleeërs in de top-12 komt in de World Cup-ranking en ze staan nu op plaats 25. De enige opdracht is dat er beter gepresteerd moet worden en dus nog harder getraind wordt. Veenker weet precies hoe het kwam dat de fysieke testen vlak voor het WK voor hem niet goed uitpakten. Volgens de Damwâldster is er dit seizoen gewoon teveel van het lichaam gevraagd. Dat de beide Friezen aan teveel wedstrijden meededen, kwam omdat andere teamgenoten geblesseerd waren. Op het moment van de testen was de batterij al bijna leeg. ,,Het was voor ons een heel lang en zwaar seizoen. We waren al vanaf oktober van huis en veel in het buitenland voor training en wedstrijden. Dat brak ons op. Op het beslissende moment was ik al bijna opgebrand.’’ Inmiddels is de knop omgezet en reisde Veenker dinsdag naar Zuid-Korea. Daarna wil hij een paar weken bijkomen en al heel gauw weer in training voor het volgend seizoen. Meedoen aan de Olympische Spelen blijft vooralsnog een droom en het ultieme doel. Als dit nu niet lukt in 2018, dan moet het in 2022 kunnen in Peking, zo redeneert de sporter. ,,Dat wordt voor volgend jaar nog heel lastig. Maar we zijn goed op weg en ik ga er voor’’, zegt Veenker. Krachttraining Bobsleeën is alles voor Veenker en tijd voor andere dingen is er nauwelijks nog. Trainen doet de Damwâldster die voor zijn studie en de sport een appartement in Heerenveen heeft, ongeveer 25 uren per week. Dat is de hele week door twee keer per dag vooral kracht kweken en werken aan explosiviteit. Hij kan de sport prima combineren met zijn studie Sport, Gezondheid en Management. De topsportregeling maakt het voor hem mogelijk dat er voldoende tijd is voor maandenlange trainingskampen en wedstrijden. Veenker reisde daarvoor naar onder meer het Canadese Calgary en Whistler, Frankrijk, Amerika, Zwitserland, Oostenrijk en nu dus al weer Zuid-Korea. Voor Veenker was dit het derde seizoen in de bobslee. Eerder was het vooral atletiek, waar hij zich op richtte. Veenker werd in de training voor die sport lang begeleid door zijn vader Hugo. Polsstokhoogspringen leidde hem naar de top van Nederland, met als absolute hoogtepunt brons tijdens het NK indoor bij de A-junioren. Doordat zijn vader ook training gaf aan de nationale selectie bobsleeërs, kwam Veenker in aanraking met deze sport. Binnen een jaar maakte hij zijn eerste afdaling en werd bobsleeën een compleet nieuwe uitdaging. ,,Ik wist van niets en heel fijn was de eerste afdaling ook zeker niet. Alles deed pijn. Maar die snelheid, dat gaf mij wel meteen een enorme adrenaline kick.’’ Voor zijn eerste werelbekerwedstrijd startte Veenker in 2015 en dat jaar nam hij in het Franse La Plagne ook al deel aan de Europese kampioenschappen. In de tweemansbob, waar Veenker zich nu vooral op richt, zit hij als remmer samen met een piloot. Zij duwen de slee samen op een baan van 1300 tot 2000 meter vanuit stilstand de eerste 50 meter op snelheid. De start is uitermate belangrijk, omdat daar al de eerste verschillen worden gemaakt. Waar het bij Veenker nu vooral om gaat, is aansluiting krijgen bij de wereldtop. Dat betekent fysiek sterker worden, een professionele begeleiding krijgen en vooral hard werken aan een snellere starttijd, legt hij uit. Sponsoring Het enige wat telt in deze sport, is zo hard mogelijk naar beneden. Onderweg remmen is er niet bij, het mag niet eens. De race duurt ongeveer één minuut, afhankelijk van de lengte van de baan. In die tijd worden snelheden bereikt van rond de 140 kilometer per uur en dat is precies de kick die Veenker beleeft aan zijn sport. ,,Echt heel gevaarlijk is het niet, er kan eigenlijk niets gebeuren onderweg. Bobsleeën is in mijn ogen niet gevaarlijker dan bijvoorbeeld voetballen.’’ Ondersteuning die Veenker nu krijgt van de Bobsleebond Nederland, is minimaal. De Damwâldster is blij met sponsoring van Raadsma in Dokkum voor de vliegtickets. Voor alle andere faciliteiten is hij afhankelijk van mensen om hem heen, die willen helpen zijn droom waar te maken. De bobsleebond heeft geen geld, omdat NOC*NSF de geldkraan dichtdraaide. Grote geldschieters meldden zich niet, waardoor deze sport in Nederland zelfs in verval raakte. Veenker: ,,Het klinkt inderdaad heel amateuristisch. Maar het enige wat voor meer mogelijkheden en een professionele aanpak kan zorgen, is dat er internationaal beter gepresteerd wordt. Daar gaan wij nu voor. Maar sporten is vooral ook omdat ik zelf van geniet en het als een voorrecht zie dat we als team mogen uitkomen voor Nederland. Dat vind ik echt geweldig.’’ TEKST EN FOTO BRAM BURUMA

Auteur

jkommerie