Eendenkooi-onderzoeker stuit onbedoeld op nog onbekende stins bij Anjum

Eendenkooi-onderzoeker Gerard Mast was op zoek naar eendenkooien toen hij op een nog niet bekende stins bij Anjum stuitte. ,,Gjinien wist derfan.’’

Ergens in het voorjaar bladerde Gerard Mast door het hypotheekboek 1661-1677 van de voormalige grietenij Idaarderadeel. Hij zocht naar informatie over eendenkooien - zijn levenswerk. Mast staat bekend als eendenkooienkenner en schreef het standaardwerk ‘Eendenkooien in Friesland’.

In het boek stuitte hij evenwel niet op een eendenkooi, maar op een flard informatie over een mogelijk nog onbekende stins in Anjum. ,,Unfoarstelber, dat je yn in boek oer Idaarderadiel yts oer Eanjum fine. Dat is in kompleet oare hoeke.’’ Beschreven wordt Sabinus van Wissema, die van zijn halfbroer Watze van Roorda in 1671 ,,de groote plaets met het stins tot Anjum’’ erft.

Lees ook | Stinzen en staten: ieder voorjaar vertolken kleurige bloemen hun geschiedenis

Mast wendt zich als eerste tot de meest logische bron. Stinzenkenner Paul Noomen, die in database HisGis vier stinzen bij Anjum heeft beschreven. Geen van die omschrijvingen past echter op wat Mast heeft ontdekt. Samen met de Noordoost-Friese amateurhistoricus Reinder Tolsma zoekt hij verder. Tolsma ontdekt in een oud archief een perceel bij Anjum dat in eigendom van Johan van Roorda was, de vader van Watze. De ligging van dat perceel kan achterhaald worden: aan de huidige Alddyk, ten noorden van het dorp.

Doma State

De stins stond bekend als Doma State. Wanneer het precies die naam gekregen heeft is niet bekend; mogelijk bij de bouw van een nieuwe boerderij op het perceel.

Piet Bakker, nu ver in de tachtig, kwam in 1962 in de boerderij wonen. Toen leerde hij al snel de verhalen kennen van het ‘slotsje’ dat er ooit gestaan heeft. ,,Je moatte je der net tefolle fan foarstelle’’, vult zijn zoon Philippus aan. De sloot die de boerderij nu nog altijd omzoomt is dus in feite een slotgracht. De resten van de stins liggen mogelijk onder de schuur die er nu staat. Ook werd het erf lange tijd nog ontsloten door een ophaalbruggetje.

Gegraven naar resten heeft Bakker nooit. ,,Wy hawwe noait wat fûn. Ik ha der ek wolris omstapt mei ien fan it Frysk Museum, mar dat hat ek neat opsmiten.’’

Twijfelen aan het feit dat er ooit een stins gestaan heeft doen de Bakkers evenwel niet. Gerard Mast evenmin. Die kan, na ruim vierhonderd eendenkooien, nu een stins aan zijn lijst met historische vondsten toevoegen. Stinzenkenner Noomen noemt de ontdekking van Mast ,,een mooie vondst.’’